De koe knikte ja

leesfragment

Volgens mij kun je grofweg twee dingen zien in het bestaan: chaos en orde. Chaos houdt in dat de aarde een grote steen is die zinloze rondjes draait om een enorme vuurbal. Op die steen zijn door een reeks ongelooflijke toevalligheden allerlei levensvormen ontstaan, die soms een onderlinge balans vinden, en soms in een gewelddadige strijd op leven en dood zijn verwikkeld. Chaos sluit niet uit dat er systemen ontstaan, maar zegt wel dat die systemen op zich geen betekenis hebben. Orde houdt het tegenovergestelde in. Orde ziet een systeem met een hogere bedoeling. Hoe het is, zo hoort het ook te zijn.

Het idee van orde is duidelijk populairder dan het idee van chaos. Ordes kunnen nogal uiteenlopen, maar bijna altijd ruimen ze een comfortabele plaats in voor vlees eten. Zo schreef Aristoteles dat de natuur alle organismen met een bepaald doel had ontworpen. Iedereen was als maaltijd of slaaf bedoeld voor een rationeler wezen, behalve de Grieken dan, want die waren het slimst. Ook het Oude Testament schept orde, en is nog maar net op gang als God de mens al beschikking geeft over de vissen der zee, het gevogelte des hemels en al het gedierte dat op de aarde kruipt. In de vijftiende en zestiende eeuw werkten theologen die orde verder uit. Dat vissen vaak bij de kust zwommen, was omdat mensen ze dan makkelijker konden vangen, dachten ze. Dat paardenpoep lekker rook, was omdat God dat dier als dienaar van de mens had bedacht.

Als God alles in Zijn oneindige goedheid en wijsheid zo had bedoeld, dan moest alles nut hebben. Sterker nog, dan moest onze wereld wel de beste van alle mogelijke werelden zijn, aldus Gottfried Wilhelm Leibniz, een van de pioniers van de verlichting.

Voltaire vond dat zo’n onzin dat hij de roman Candide schreef, over een filosoof die alles kan verklaren. Deze Pangloss ontwaart zelfs in de futielste toevalligheden en het schrijnendste leed nog het glorieuze ontwerp van zijn Schepper. ‘Een neus is geschapen om een bril te dragen; wij dragen dan ook brillen,’ zegt Pangloss. ‘En omdat varkens er zijn om opgegeten te worden, eten wij het hele jaar varkensvlees.’

We zijn drie eeuwen verder. Drie eeuwen waarin we de harde, nuchtere wetenschap uitvonden. Onze biologieleraren lezen niet meer voor uit de Bijbel. Ze vertellen over ecosystemen en natuurlijke selectie, de bevindingen van rationele observatie en analyse.

En toch blijven we, bewust of onbewust, vaak een bedoeling zien in de natuur die in feite alleen van een hogere macht kan komen. Wat we bij biologie leren, heeft dan op de een of andere manier ook zo moeten zijn. ‘Dat heeft de natuur toch slim bedacht!’ Je ziet het in ons ontzag voor ecosystemen, alsof er van tevoren is bepaald welke levensvormen er in welke verhoudingen moesten voorkomen, en daar na veel schuiven een schema voor is ontworpen dat precies past. Je ziet het in het wijdverspreide misverstand dat evolutie gelijkstaat aan vooruitgang, een proces dat levensvormen omhoogjaagt op de ladder van slim, snel en sterk, in plaats van doelloos eigenschappen te belonen die onder de toevallige omstandigheden goed uitkomen, hoe hoog of laag wij ze ook vinden – hallo parasieten.

Als ik zei dat ik dieren mocht eten omdat de natuur nou eenmaal zo werkt dat dieren elkaar opeten, zei ik eigenlijk dat ik er zelf niet meer over na hoefde te denken, omdat de natuur voor mij al had bedacht hoe het hoorde. Zo moest het dus zijn. Ik zag orde.

En zulke orde kan het lastig maken om de dieren nog te zien.

Filmposter van De nieuwe wildernis (2013)

Een vraag. Waarom hebben dieren seks? Om zich voort te planten, zeg je als je vanuit het systeem denkt. Als je vanuit de dieren denkt, zeg je: omdat ze daar op dat moment blijkbaar nogal zin in hebben.

Op allerlei manieren worden we aangemoedigd om vanuit het systeem te denken. Door De nieuwe wildernis bijvoorbeeld, de succesvolste Nederlandse natuurfilm aller tijden, overladen met lof en publieksprijzen. In 2013 trok de film bijna 700.000 bezoekers, een aantal dat normaal alleen de grootste blockbusters behalen.

De nieuwe wildernis is geobsedeerd door het systeem. De film gaat over het leven in de Oostvaardersplassen, een natuurgebied tussen Almere en Lelystad. ‘Hier gelden alleen de wetten van de natuur,’ vertelt de voice-over gloedvol. We herkennen zijn stem van reclames voor bonusbiefstuk. ‘Niets is voor niets,’ legt hij uit. Er is in de film dan ook amper dierlijk gedrag te zien dat niet in het allesbeheersende verhaal wordt ondergebracht van overleven en doorselecteren. En alles is verplicht mooi. Want het is – aanzwellende violen – de natuur. Je zou bijna zeggen: de beste van alle mogelijke werelden.

De camera staat stil bij een akkerdistel die door bladluizen wordt leeggezogen. De luizen produceren een zoete afscheiding, die door mieren uit hun achterwerk wordt gemolken. ‘De bladluis werkt graag mee,’ vertelt de voice-over, ‘maar hij wil er wel iets voor terug. De mier moet zijn grote vijand, de larve van het lieveheersbeestje, te lijf gaan. En dat hoef je een mier geen twee keer te zeggen.’ Precies ja, zo hebben de luis en de mier dat in goed overleg afgesproken. Van zulke onzin hangt de hele film aan elkaar. Ach, zo’n verhaaltje maakt het begrijpelijker, kun je zeggen. Maar het is geen onschuldige kitsch. De logica van het systeem wordt gepresenteerd als de motivatie van het dier. En bij dat systeem hoort ook zijn eigen dood.

Er gaan nogal wat dieren dood in de Oostvaardersplassen. Slechts een derde van de vijfduizend grote grazers overleefde er de afgelopen winter. Beheerders hebben dieren in het gebied uitgezet die er niet passen en vervolgens besloten dat de natuur haar loop moet nemen. Elke winter verzamelen zich actievoerders bij de hekken die willen dat de verhongerende dieren worden bijgevoed. Verslaggevers komen aangerend om de gekkies eruit te pikken. ‘Flikker de asielzoekers liever dit terrein op,’ roept iemand, en de pennen gaan gretig op papier.

Tegen deze mensen zegt De nieuwe wildernis op geduldige schoolmeesterstoon: komkom, stel je niet zo aan. Het wemelt in de film van de stervende dieren. Eerst roepen de makers doelbewust gevoelens voor ze op – bijvoorbeeld door een jaar lang een veulen te volgen dat steeds al niet goed meekomt – en vervolgens leren ze je om over die gevoelens heen te stappen.

Een hertje zijgt neer op een droge plek tussen de sneeuw. Ze rolt zich op tegen de kou. Er klinkt romantische vioolmuziek. De camera pakt een smaakvolle close-up van haar rechteroog. Met een timelapse-effect zien we versneld hoe sneeuwvlokjes zich verzamelen. Het oog vriest dicht en schiet van zwart naar wit. Dan een shot van de sterrenhemel. Wat is de natuur toch mooi. Niet treuren nu. ‘Hoe verdrietig het verlies van leven ook is,’ zegt de voice-over, ‘de groep, de belangrijkste eenheid, overleeft.’ De suggestie is compleet dat het hertje zich vredig schikt in het hogere doel dat haar dood dient. We zien haar nog net geen ja knikken.

En denk nu eens vanuit het dier. Al maanden vecht ze zich door de snijdende wind, tevergeefs op zoek naar eten. Steeds hongeriger, steeds vermoeider. Nu kan ze echt niet meer. Daar ligt ze dan langzaam dood te vriezen. Helemaal alleen. Zij hoort de violen niet. Voor haar gaat de tijd niet sneller. En gelukkig krijgt ze de voice-over niet mee, want als ik haar was zou ik pisnijdig worden van de glans die de verteller op haar dood probeert te poetsen.

Ik weet ook wel dat we niet ieder individueel dier kunnen redden. Maar moeten we ieder individueel dier wegdenken?

terug